Wat als weerbaarheid niet begint bij grote technologie, nieuwe infrastructuur of nog meer data, maar bij de vraag of mensen elkaar nog wel weten te vinden? Die gedachte staat centraal tijdens het zevende Leuven Urban Lab op 17 september. Onder de titel ‘Leuven als labo voor lokale autonomie en weerbaarheid’ verkennen schepen Thomas Van Oppens, UCL-hoogleraar en VN-expert in duurzame voedselsystemen Olivier De Schutter, Leuven 2030-directeur Katrien Rycken en professor bio-ingenieurswetenschappen Annemie Geeraerd Ameryckx (KU Leuven) verschillende pistes om Leuven sterker te maken in onvoorspelbare tijden.

“We hebben iedereen nodig - van de diepe denkers tot de harde doeners.”
De toon wordt gezet door Leuvens schepen van Klimaat en Duurzaamheid Thomas Van Oppens. De oorlog in Oekraïne en de daaropvolgende schokken op de gasmarkt hebben duidelijk gemaakt hoe kwetsbaar systemen zijn wanneer we afhankelijk zijn van wat van ver komt. “Wie materialen hergebruikt, woningen duurzaam verwarmt of mensen meer op de fiets of het openbaar vervoer krijgt, maakt een stad niet alleen klimaatvriendelijker, maar ook minder kwetsbaar voor geopolitieke schokken. En daarvoor hebben we iedereen nodig: van de diepe denkers tot de harde doeners.”
Het talent is er. Wie brengt het samen?
.jpg)
Dat samenwerken klinkt eenvoudig, maar het organiseren ervan is dat veel minder. Leuven 2030-directeur Katrien Rycken vertelt hoe de organisatie een brede bevraging uitstuurde naar haar netwerk. “Bijna 300 mensen vulden die intussen in. Sommigen gaven aan dat ze iets nodig hebben. Anderen bieden expertise, tijd of andere vormen van ondersteuning aan.” Eén antwoord kwam echter zelden aan bod: ‘Ik wil hier de trekker van zijn’. En daar zit volgens Rycken een belangrijke governance vraag. “Hoe zorg je ervoor dat de enorme hoeveelheid aanwezige kennis en goede wil niet naast elkaar blijft bestaan, maar ook effectief tot gezamenlijke actie leidt?” Daar zijn in elk domein leiders voor nodig die mensen in iets als een ‘living lab’ bijeen kunnen brengen, dat Leuven 2030 vervolgens kan ondersteunen.
Het Leuvense Klimaatfonds, dat in oktober wordt gelanceerd, past in die zoektocht. “Het doel is verschillende soorten kapitaal – van publieke middelen tot private investeringen – samen te brengen rond projecten die de Leuvense klimaattransitie versnellen.”
De partnerstad bouwt sociaal kapitaal op

Niet alleen financiële middelen, maar ook sociaal kapitaal zijn onmisbaar in dit weerbaarheidsverhaal, beklemtoont voormalig VN-Speciaal Rapporteur, UCL-hoogleraar en expert in duurzame voedselsystemen Olivier De Schutter. “Sociaal kapitaal is het vermogen van mensen om samen te werken op basis van vertrouwen en het gevoel dat je deel uitmaakt van een gemeenschap.”
En daarin ziet hij een bijzondere rol weggelegd voor het lokale niveau. “Steden staan dichter bij hun inwoners. Ze kunnen burgers rechtstreeks betrekken bij beslissingen en daardoor meer legitimiteit creëren”, legt hij uit. Tegelijk kunnen ze gemakkelijker afstappen van een klassiek ‘hokjesbeleid’ en verschillende beleidsdomeinen met elkaar verbinden: energie, mobiliteit, voeding, onderwijs, huisvesting en werk.
De Schutter haalt de Britse stad Bristol aan, waar burgers, ondernemers, maatschappelijke organisaties en lokale politici samen nadenken over het plaatselijke voedselsysteem. Of Gent, waar onderzoek naar lokale ‘commons’ aantoonde dat burgerinitiatieven sterker en duurzamer worden wanneer ze allianties sluiten met ondernemers, het middenveld en het stadsbestuur. “De stad wordt dan geen technocratische overheid die van bovenaf dicteert hoe de samenleving moet veranderen, maar een partnerstad.”
“Hoe meer we in ongelijke samenlevingen leven, hoe minder mensen een gevoel van gemeenschap hebben.”
Helaas is die sociale samenhang niet (meer) vanzelfsprekend. “Onze steden zijn vaak zo ingericht dat mensen wonen, werken, winkelen en hun kinderen naar school brengen op verschillende plekken. Hierdoor ontmoeten ze hun buren nog nauwelijks.” Ook schermtijd speelt een rol. En volgens diverse onderzoeken neemt het gevoel van gemeenschap af naarmate de ongelijkheid in een samenleving groter wordt. “Wanneer de kloof tussen arm en rijk groter wordt, gaan mensen hun medeburgers sneller zien als concurrenten dan als mensen met wie ze een gemeenschappelijke toekomst delen”, verklaart De Schutter.
Die impact op het sociale weefsel heeft ook verstrekkende gevolgen voor de klimaattransitie. Want wie samen wil investeren in een buurt, een voedselproject of een energie-initiatief, moet elkaar eerst kunnen vertrouwen.
Zo’n sociaal weefsel is ook nodig op bedrijfsniveau. In het industriepark in Haasrode proberen medewerkers van Leuven 2030 via een reeks bijeenkomsten innovatie en samenwerking te stimuleren en een community op te bouwen.
Ga voor een dorp in de stad
De Schutter verwijst naar steden die net daar bewust op inzetten. “In het Italiaanse Bologna organiseren buren bijvoorbeeld gezamenlijke maaltijden in hun straat. En in het Deense Kopenhagen worden woningen steeds vaker rond gedeelde ruimtes gebouwd, zodat buren elkaar vanzelf ontmoeten en samen verantwoordelijkheid dragen voor hun omgeving.”
Hij beschouwt die initiatieven ook als mogelijke remedie tegen de groeiende eenzaamheid in onze maatschappij - inmiddels een echt volksgezondheidsprobleem. “Sociale verbinding is niet zomaar een welkome bijwerking van goed stadsbeleid; ze maakt er echt onderdeel van uit.”
“Als we economische actoren, burgers en overheden samenbrengen, kunnen we projecten identificeren die verschillende doelstellingen tegelijk dienen.”
Daarmee wordt ook duidelijk waarom De Schutter zo sterk hamert op participatie. “Het gaat niet alleen om de vraag wat een stad beslist, maar ook om hoe ze tot die beslissingen komt.” Goede publieke instellingen moeten niet alles zelf doen, maar de omstandigheden creëren waarin mensen het beste uit elkaar kunnen halen.
Uit die verbindende kracht kan volgens De Schutter iets als collectieve intelligentie ontstaan. “Als we economische actoren, burgers en overheden samenbrengen, kunnen we projecten identificeren die verschillende doelstellingen tegelijk dienen.” Zo kan een project rond gezonde voeding tegelijk bijdragen aan betere gezondheid, minder armoede, lokale economische ontwikkeling, sterkere sociale contacten én een kleinere ecologische voetafdruk.
Verborgen afhankelijkheden

Dat principe komt meteen concreet terug in de presentatie van KU Leuven-professor Annemie Geeraerd Ameryckx. Zij en haar onderzoeksteam brachten de milieu-impact van het volledige Leuvense voedselsysteem in kaart. Niet alleen de landbouw op Leuvens grondgebied, maar de hele keten: veevoeder, water, bemesting, verwerking, verpakking, consumptie en voedselafval.
“Mensen onderschatten vaak de gevolgen die elders in de keten plaatsvinden.”
Een van haar belangrijkste waarschuwingen: lokaal is niet automatisch duurzaam. “Een liter lokaal geproduceerde melk heeft niet noodzakelijk een kleinere klimaatvoetafdruk dan melk uit Frankrijk of Nederland”, legt de bio-ingenieur uit. “Bij rundsvlees is transport zelfs maar een klein deel van de totale impact. De grootste effecten ontstaan tijdens de landbouwproductie zelf.” De voedselweerbaarheid van Leuven mag dan ook niet worden herleid tot de vraag hoeveel landbouwgrond er binnen haar grenzen ligt. “Toch leven mensen nog vaak in een bubbel. Ze onderschatten de gevolgen die elders in de keten plaatsvinden.”
Maar hoe krijg je mensen uit die bubbel? “Door hen te informeren”, aldus Geeraerd Ameryckx, “maar vooral door aantrekkelijke alternatieven aan te reiken. We moeten niet voortdurend zeggen wat mensen moeten doen, maar tonen dat er ook andere duurzame, gezonde én betaalbare mogelijkheden zijn.”
En die zijn er in Leuven. Een voorbeeld is de door Politico en het Europees Parlement gelauwerde Leuvense gemeenschapsboerderij achter de Abdij van Park – de eerste in Vlaanderen. Sommige Urban lab-deelnemers willen hun dromen over een halsketting van plukboerderijen en voedselbossen rondom Leuven ook in concrete plannen omzetten.
Van snack naar appel
Olivier De Schutter ziet scholen alvast als een belangrijke hefboom om sociale normen te veranderen. “Schoolmaaltijden kunnen kinderen niet alleen gezonder laten eten, maar hen ook leren waar voedsel vandaan komt en welke gewoonten duurzaam zijn. Kinderen nemen die lessen vervolgens mee naar huis.”
Dat dit effect verder gaat dan alleen de theorie, illustreert gemeenteraadslid Patty Liao met een mooi voorbeeld. Ze vertelt over een Leuvense school waar een kind na lessen over lokaal voedsel thuis niet langer om koekjes of chocolade vroeg, maar om een appel. Een kleine anekdote, maar precies het soort verandering waar het Leuven Urban Lab op mikt.
Een ander mooi voorbeeld is Foodatelier César, dat gezonde soep aan schoolkinderen aanbiedt. Uitbater Tom Berghmans, die ook aanwezig is op het event, bereidt die met lokale ingrediënten via het distributieplatform Kortom Leuven.
“De stad heeft niet alle antwoorden, maar ze kan wel een plek zijn waar onderzoekers, beleidsmakers, burgers, ondernemers en studenten samen uitzoeken wat werkt - en dat vervolgens ook uitproberen”, besluit Thomas Van Oppens. Daarbij mogen we tot slot de bredere voedselregio niet uit het oog verliezen. “Lokale autonomie betekent niet alles zelf willen doen. Een weerbare stad moet ook over de stadsgrenzen heen samenwerken.”
© Header foto Filip Van Loock voor het Leuven 2030 Urban Lab
.png)
.jpg)
